Tentoonstelling Nederlandse Vormgeving - De Stijl

Vanaf juli 2021 gaat in het Lalique Museum Nederland de tentoonstelling 'Nederlandse Vormgeving - De Stijl’ van start. Het doel van deze tentoonstelling is de overeenkomsten tussen Nederlandse kunstenaars te tonen, daar waar deze verschillen, en de invloed van Nederlandse Vormgeving op buitenlandse kunst laten zien.

De vaste collectie van René Lalique zal in dit kader worden aangepast aan de stijl die tussen 1919 en 1939 in zwang was; art deco. Deze stijl was indertijd bekend in ons land toch vaart Nederland daarbinnen een geheel eigen en op veel vlakken zelfs een afwijkende en invloedrijke koers. Daar waar Nederland eerder hoofdzakelijk de stijlen uit het buitenland volgde of kopieerde (denk hierbij aan de Barok, Rococo of Empire) zien we rond 1880 een verandering op gang komen. Een kunstenaar als Jan Toorop speelt hierbinnen een grote rol. Hij vond dat kunst uit een innerlijke impuls ontstaat en alleen door de ziel, en niet door wetenschap of wiskunde, benaderd of begrepen konden worden. Het werk van Toorop heeft ondermeer grote invloed gehad op dat van Gustav Klimt.

Waarbij voorheen ambachtslieden werk in opdracht van hun werkgevers uitvoerden (de pure daarstelling van een object), zou een nieuwe lichting kunstenaars hun werk naar eigen ideeën zelf (of laten) vervaardigen. Hiermee werd het ambacht tot kunst verheven en de kunstenaar onderdeel van de gehele proces vanaf droomstof tot object. Het kunstwerk zelf hoefde echter geen verhaal te vertellen waarover men zijn/haar gedachten moest laten gaan. De naakte aanwezigheid was genoeg en hoefde slechts comfort en rust uit te stralen.

In 1913 publiceert Kandinsky zijn 'Rückblicke', een terugblik op zijn ontwikkeling als kunstschilder. Hierin spreekt hij over de zogenaamde 'vergeestelijking' van de kunst, hetgeen betekent dat 'de kunst' en wel de zuivere, uit de geest ontspringt en niet uit de waarneembare wereld om ons heen.  De natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid, zoals binnen de art nouveau of jugendstil, kon volgens Kandinsky daar niet het gevolg van zijn.

Een kunstenaar die het aanvankelijk niet zo op had met de modernen, was de Nederlander Theo van Doesburg (geboren Emil Küpper). Doch na het lezen van Kandinsky's 'Rückblicke', raakte Van Doesburg overtuigd van de nieuwe weg die hij zou inslaan. Gebaseerd op Kandinsky's gedachte dat de kunst uit het verleden de toekomstige zou voorspellen, stelde Van Doesburg dat kunst evolueert en dientengevolge steeds abstracter zou worden. In 1915 bezocht Van Doesburg de tentoonstelling van 'De Onafhankelijken'. Via dit circuit leerde hij het werk van Piet Mondriaan kennen. Via Mondriaan kwam Van Doesburg in contact met schilder Bart van der Leck en richtte met grafisch ontwerper Vilmos Huszár, de groep 'bewust abstracten' op. In oktober 1917 werd deze nieuwe beelding  onderstreept met de presentatie van een magazine onder de naam 'De Stijl'. Hierin werd geprogageerd dat kunst ontdaan moest worden van alle – in hun ogen – niet essentiele elementen. Zij bepaalden wat wel en geen kunst was. Van Doesburg ging in 1924 over tot het elementarisme, Mondriaan zou de nieuwe beelding tot aan zijn dood blijven huldigen. De architect Robert van 't Hoff (medelid van De Stijl), maakte Van Doesburg in 1919 attent op de meubelen van een andere Nederlandse kunstenaar, Gerrit Rietveld. Deze gaven volgens Van Doesburg precies de ideeën van de Stijl weer en publiceerde diens werk in hetzelfde jaar. 

Het doel van deze tentoonstelling is de overeenkomsten tussen deze Nederlandse kunstenaars te tonen, daar waar deze verschillen, en de invloed van Nederlandse Vormgeving op buitenlandse kunst laten zien.